Kijk. Daar zit er een. Op dat muurtje. Een eenzame eter. Hij heeft kleffe kaas op zijn boterhammen. Zelf gesmeerd vanochtend. Hij moet even een frisse neus halen. Of even de benen strekken. Even een blokje om. In werkelijkheid vlucht hij voor de pauzes. Met zijn hele lichaam probeert hij ‘ik heb jullie allemaal niet nodig’ uit te stralen. Hij zit er als een sukkel bij.
Zijn collega’s kotsen hem uit. Omdat hij alleen maar over zijn passie voor externe schijven kan praten. Veel meer te melden heeft hij niet. Twee straten verderop, bij Logistics XL, lachen ze hem nu uit. Om dat rare Limburgse taaltje van hem. Ze doen hem na. Dat weet hij. Dat voelt hij. En er komt een dag dat ze hem nooit meer terug zien, hier. Al spreekt hij dat niet hardop uit.
Hij heeft een hekel aan zijn werk gekregen. En aan zijn collega’s. Zij zijn dom. Kuddeschapen. Vooral het onnozele geroddel en de weekend-updates van de dames is hij beu. En de mannen lopen er als wilde stieren achteraan. Hij ziet best hoe ze altijd net iets te dichtbij over de schouders van hun vrouwelijke collega’s leunen. Met hun simpele kantoorhumor. Naar vrijdagmiddagborrels gaat hij niet. Daar voelt hij zich te goed voor.
Zijn eenzame pauzes zijn een rustpunt voor hem. Terwijl hij weet dat zijn collega’s weten, dat hij hen ontglipt. En hij weet dat alle voorbijgangers dat ook weten. Maar hij zit hier goed. Hij kijkt niet uit naar het einde van de werkdag. Thuis heeft hij een vrouw van wie hij niet meer houdt. |